Van fritkot naar lifestylemerk: kan je de perfecte Belgische friet eigenlijk franchisen?

Van fritkot naar lifestylemerk: kan je de perfecte Belgische friet eigenlijk franchisen?

Het Belgische frietkot krijgt plots schaalambities. Average Rob opende vorige week in Oostende al de derde La Patate en droomt van minstens 20 vestigingen. Sergio Herman ging met Frites Atelier de wereld in, Mallory Gabsi plantte zijn Belgische fritkot 140° inmiddels in Parijs en Fritapapa zet volop in op franchise. Friet is niet langer alleen volksvoedsel maar ook merk, designconcept en investeringsmodel. Alleen dringt zich daarbij een ongemakkelijke vraag op. Hoeveel filialen kan je openen voor de friet zelf begint te lijden onder de schaal?

Van puntzak naar businessplan

De opening van de derde La Patate in de Vlaanderenstraat in Oostende lijkt op het eerste gezicht vooral het volgende ondernemersavontuur van Average Rob. Na Antwerpen en Leuven is nu ook de kust aan de beurt. Maar achter de vrolijke branding en de bekende kop van Robert Van Impe zit een behoorlijk ambitieus groeiplan. La Patate wil binnen 4 jaar minstens 20 vestigingen in België en kijkt daarna mogelijk naar het buitenland. Om die groei mee te financieren lanceerde het bedrijf een crowdlending waarmee het tussen 500.000 en 1 miljoen euro wilde ophalen. Achter het concept staan bovendien niet alleen Average Rob en zijn partners maar ook investeringsfonds Green Park Investment Partners en horecagroep MTM.

De ambitie is opmerkelijk omdat La Patate zichzelf tegelijk nadrukkelijk verkoopt als verdediger van de klassieke Belgische frituur. Geen gastronomische capriolen maar frieten in ossenvet, stoofvlees, vol-au-vent, balletjes in tomatensaus, tientallen sauzen en de bekende frituursnacks. De eerste vestiging opende pas in mei 2026. 

Average Rob is lang niet de eerste die ontdekt dat onze nationale puntzak ook een schaalbaar businessmodel kan zijn. Sergio Herman deed het hem voor. Frites Atelier begon in 2016 als poging om de nederige friet gastronomisch op te waarderen. Inmiddels gebruikt het bedrijf zelf termen als premium fast-casual en lifestyle destination. In 2024 werd de Riccardo Giraudi Group aangesteld als wereldwijde master-franchisepartner. Naast Antwerpen, Gent en Brussel kwam er een franchiselocatie in Roosendaal en eind 2025 zette Frites Atelier met Londen zijn eerste stap buiten de Benelux. Verdere internationale expansie is uitdrukkelijk de ambitie.

En Herman staat niet alleen. Mallory Gabsi blies dit jaar 140° nieuw leven in, het fritkotconcept dat ooit ontstond tijdens Top Chef. Naast de Brusselse vestiging aan Tour & Taxis opende in juni een tweede 140° in de Parijse rue des Petits-Carreaux. Gabsi verkoopt er de Belgische fritkotcultuur bijna letterlijk als exportproduct. Friet, mitraillettes, fricadellen, garnaalkroketten, burgers en een batterij sauzen. De naam verwijst zelfs naar de 140 graden van de eerste bakbeurt die hem door Christophe Hardiquest was bijgebracht.

Nog groter is Fritapapa. De Waalse formule ontstond in 2016 en heeft ondertussen zo'n 350 medewerkers. Volgens Horeca Magazine draait het bedrijf ongeveer 15 miljoen euro omzet en verkoopt het jaarlijks circa 1 miljoen pakjes friet. Begin dit jaar stelde Fritapapa zijn tot dan toe grotendeels eigen netwerk open voor franchisenemers. De ambitie? Het aantal restaurants tegen 2030 verdubbelen en uitbreiden richting Vlaanderen en Noord-Frankrijk.

Zelfs kleinere spelers zoeken dezelfde weg. Frit'House'L biedt een franchiseformule met uniforme keukeninrichting, vaste kwaliteitsstandaarden, marketing en centrale ondersteuning. Het illustreert hoe een sector die traditioneel bestond uit duizenden zelfstandige frituristen langzaam dezelfde bedrijfstaal begint te spreken als hamburger-, pizza- en koffieketens.

Maar wie bakt straks eigenlijk nog de friet?  

Daar zit tegelijk de paradox. Het succes van het traditionele frietkot is altijd gebaseerd geweest op bijna het tegenovergestelde van franchise. De ene friturist zweert bij Bintje, de andere bij Agria. Rundvet of plantaardige olie. Dikker of dunner gesneden. Een eerste bakbeurt die net wat langer duurt. Zelfgemaakte tartaar of die ene industriële saus waar de hele gemeente voor omrijdt. Het zijn precies die kleine afwijkingen die maken dat Belgen eindeloos kunnen discussiëren over welk frietkot nu echt het beste is. Een keten kan zich zulke verschillen nauwelijks permitteren. Wie 20, 50 of uiteindelijk 100 vestigingen wil heeft behoefte aan voorspelbaarheid. Dezelfde grondstof, dezelfde snit, dezelfde baktijd, dezelfde saus en dezelfde smaak, ongeacht wie die dag achter de friteuse staat. De kracht van franchise is consistentie. De charme van het frietkot is juist dat het niet overal hetzelfde is.  

Frites Atelier toont hoe moeilijk die evenwichtsoefening kan zijn. De eerste vestiging in Den Haag sloot inmiddels en doorheen de jaren verdwenen meerdere locaties. Tegelijk werd het product aangepast aan een beter schaalbaar model maar wat je wint aan reproduceerbaarheid dreig je te verliezen aan ambacht en eigenheid.  

Voor La Patate wordt dat de echte test. 3 frituren kun je nog nauw opvolgen. 20 vestigingen verspreid over België is iets anders. Dan moet het stoofvlees in Oostende hetzelfde smaken als in Leuven, moet de friet op een drukke zaterdagavond in Antwerpen dezelfde krokante korst hebben als tijdens een rustige dinsdagmiddag elders en moet ook een jobstudent het product kunnen afleveren waarop het merk zijn reputatie bouwt.  En dan is er nog een tweede risico. Dat branding belangrijker wordt dan bakken. Frites Atelier verkoopt design en Sergio Herman. La Patate heeft Average Rob, sociale media en een eigen Frequent Frier-community. 140° heeft Mallory Gabsi en het verhaal van Top Chef. Dat zijn sterke merken die klanten naar binnen krijgen voordat ze 1 friet geproefd hebben. Maar precies daarom moet de lat voor het product hoger liggen, niet lager.  

Misschien is de interessantste tegenpool daarom nog altijd een instituut als Maison Antoine op het Jourdanplein in Brussel. Sinds 1948 groeide het van een eenvoudige frietbarak uit tot een internationaal bekende bestemming maar zonder een filiaal in Antwerpen, Parijs of Londen te moeten openen. Mensen reizen naar het frietkot in plaats van dat het frietkot naar hen reist. Ook Dorien Nuyts van Frituur Congé in Berchem past in dat verhaal. Haar filmpjes op sociale media en haar deelname aan De Slimste Mens ter Wereld maakten haar bekend bij een breed publiek maar de aantrekkingskracht blijft verbonden met 1 herkenbare zaak en de vrouw erachter. Bij Congé krijgt het merk letterlijk een gezicht. Haar voorbeeld toont dat bekendheid ook een goed draaiende buurtfrituur kan versterken zonder dat daar meteen een netwerk van filialen uit hoeft te groeien. Misschien schuilt daarin een onderschatte vorm van succes. Een frituur waar mensen niet alleen voor een pak friet komen maar ook omdat het die van Dorien is.

Daarmee komt de nieuwe generatie frietondernemers voor een vreemde keuze te staan. De Belgische friet heeft absoluut het potentieel om een internationaal culinair exportproduct te worden. Waarom zouden pizza, burgers en sushi wereldwijd ketens kunnen voortbrengen en onze friet niet? Maar misschien moeten we tegelijk oppassen waarvoor we precies applaudisseren. 20 frituren openen is een indrukwekkende ondernemersprestatie. 20 keer dezelfde echt goede friet bakken is misschien de veel moeilijkere.